S p o r t & R e c r e a t i e .v o o r
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
H a r t - e n / o f ..L o n g g e t r a n s p l a n t e e r d e n
Historie Europa Activiteiten Links

OVERTRAINDHEID

NB. Deze tekst is geschreven door prof. dr. Harm Kuipers, hoogleraar bewegingswetenschappen Universiteit Maastricht en afkomstig uit het boek Paramedische Trainingsbegeleiding deel 2. Training van het cardiorespiratoir uithoudingsvermogen. Uitgever is Bohn Stafleu Van Loghum (ISBN 90-313-3460-x).

Inleiding

In de topsport moet een grote hoeveelheid trainingsarbeid worden uitgevoerd, waardoor voortdurend het risico van overtraining dreigt. Overtraining komt niet alleen in de topsport voor, maar in feite kan iedere sporter die minimaal 3-4 keer per week intensief traint, overtraind raken. Ofschoon de wetenschappelijke kennis van de fysiologische aspecten van training de laatste decennia aanzienlijk is toegenomen, is nog steeds niet goed bekend hoeveel een atleet moet trainen om optimaal te kunnen presteren zonder overbelast te raken. Dit komt omdat juist over herstel en trainingsaanpassingen, en de daarbij betrokken fysiologische mechanismen nog weinig bekend is. Met training wordt beoogd het prestatievermogen te verhogen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het 'overload- of overbelastingsprincipe'. Dat wil zeggen dat elke training zodanig zwaar moet zijn dat er een zekere mate van verstoring van de evenwichtstoestand (homeostase) in cellen en organen optreedt. De door de training veroorzaakte verstoring van de homeostase is de prikkel voor het starten van herstelprocessen (Viru, 1994). Teneinde het organisme bij reeds zeer goed getrainde atleten op optimaal niveau te handhaven wordt in de huidige topsport vrijwel het hele jaar door met een grote omvang en hoge intensiteit gewerkt. Periodes van zware training dienen daarbij echter te worden afgewisseld met periodes van herstel ('tapering'). Wanneer het herstel echter onvoldoende gelegenheid wordt gegund, resulteert dit gemakkelijk in vermoeidheid en minder presteren. Helaas moet vaak achteraf worden geconstateerd dat een atleet niet aan de gestelde verwachtingen heeft kunnen voldoen door verkeerd gedoseerde training en vooral door onvoldoende ruimte voor herstel. Er is in die gevallen sprake geweest van overtraindheid. 'Overtraining' is een algemene term die aangeeft dat er meer getraind wordt dan het organisme op dat moment aankan. Het woord 'overtraining' slaat derhalve op de activiteit van het trainen zelf. Overtrainen leidt tot een toestand van overbelasting of overtraindheid. Overtraindheid heeft vaak een lokaal karakter, maar kan ook algemeen van aard zijn. Op grond van ontstaansmechanisme kunnen drie vormen  van overtraindheid worden onderscheiden: a) mechanische overtraindheid, b) metabole overtraindheid en c) overtrainingssyndroom. Bij mechanische overtraindheid wordt gewoonlijk niet de term overtraindheid gebruikt, maar wordt van een blessure of overbelastingsletsel gesproken. Alle sportblessures en bijvoorbeeld ook spierpijn, berusten op mechanische overtraining van delen van het bewegingsapparaat. Metabole overtraindheid of metabole overbelasting komt in de topsport veel voor, is gelokaliseerd in de spieren en wordt gekenmerkt door snelle spiervermoeidheid. Metabole overtraindheid wordt vrijwel altijd veroorzaakt doordat er onvoldoende herstel in de training is ingebouwd. Metabole overtraindheid uit zich als snel optredende vermoeidheid en slechter presteren. Veel atleten, die continu meer doen dan het herstel toelaat, lijden min of meer aan chronische metabole overtraindheid. We kennen verder het overtrainingssyndroom, waarbij meerdere symptomen van mentale en fysieke aard kunnen optreden. In Duitstalige literatuur wordt het overtrainingssyndroom op grond van de klinische presentatie onderverdeeld in een sympathische en parasympathische vorm (Lehmann et al., 1993). TABEL 11.1. Terminologie Overtraining -----> de actie van overbelasten tijdens de training Mogelijk resultaat van overtraining: ---> metabole overtraindheid/overbelasting ---> mechanische overtraindheid/overbelasting ---> overtrainingssyndroom

Fysiologische aspecten van overtraindheid

Ofschoon de arbeid uiteindelijk door de spieren wordt geleverd, dragen verschillende orgaansystemen bij aan het tot stand komen van sportprestaties. Voor belasting en herstel spelen o.a. het vegetatieve zenuwstelsel en het endocriene systeem een belangrijke rol (Frey & Kraemer, 1998; Viru, 1985a, 1985b). Het belang van het endocriene systeem laat zich gemakkelijk illustreren door er alleen al op te wijzen dat elke endocriene stoornis zich uit in snellere vermoeidheid en minder presteren. Tijdens de herstelfase ligt het accent op herstel van de homeostase en regeneratie van beschadigde celstructuren (Viru, 1994). Naar wordt aangenomen is de verstoorde homeostase de prikkel voor het in gang zetten van anabole processen, terwijl het endocriene milieu de anabole processen kan versterken en moduleren (Kelly et al., 1986; Kurowski et al., 1984; Seene & Viru, 1982). In de herstelfase is de plasmaconcentratie van 'katabole' hormonen relatief laag, terwijl die van de 'anabole' hormonen relatief hoog is. Met nadruk dient vermeld te worden dat het niet één enkel hormoon is dat of katabool of anabool werkt, maar dat het totale endocriene beeld en de verhouding tussen anabole en katabole hormonen het effect op de stofwisseling bepaalt (Viru, 1985a, 1985b). Hormonen die anabole processen versterken zijn onder andere insuline, groeihormoon, schildklierhormoon en geslachtshormonen. Cortisol heeft een dualistisch karakter: in hoge concentratie is het vooral een stresshormoon, doch in lage concentratie kan cortisol het effect van anabole hormonen versterken (Viru, 1985a, 1985b). Veranderingen in het endocriene systeem kunnen derhalve invloed hebben op de duur van het herstel. Uit onderzoek is gebleken dat verlaagde testosteron concentraties in het plasma na uitputtende inspanning samengaan met een verminderde glycogeensynthese (Keizer & Kuipers, 1987). Een goede coördinatie tussen hormonaal systeem en vegetatief zenuwstelsel is onder alle omstandigheden essentieel. Deze coördinatie vindt plaats in het limbische systeem en de hypothalamus. In de hypothalamus wordt alle informatie geïntegreerd en een adequate reactie voorbereid tegen elke bedreiging van de integriteit van het lichaam. De reactie op een bedreiging van de integriteit kan zich uiten in gedrag, maar ook in veranderingen in het vegetatieve zenuwstelsel en het endocriene systeem. Goed opgebouwde training leidt tot een toegenomen stabiliteit van het hypothalaam-hypofyse- bijniersysteem. Dit uit zich in een lagere stress response bij gestandaardiseerde belasting (Keizer et al., 1987; Viru 1985a, 1985b). De grens waarboven de bijnierschors sterk geactiveerd wordt, verschuift bij een betere getraindheid naar een hoger belastingsniveau. De aanpassingen aan training zijn niet onbeperkt. Ieder mens heeft een genetisch bepaald maximum en gewoonlijk is dit maximum na 1-2 trainingsjaren bereikt. Verder opvoeren van de training leidt niet tot een verdere verbetering van de prestaties, maar ontstaat juist gemakkelijk overtraining met een vermindering van het prestatieniveau.

Mechanische overtraindheid

Mechanische overtraindheid kan verschillende delen van het bewegingsapparaat betreffen en berust op mechanische beschadiging van anatomische structuren op moleculair niveau. Omdat bindweefsel en daarvan afgeleide weefsels een trage stofwisseling (bradytrofie) en een relatief slechte vaatvoorziening hebben, is het herstel trager dan bijvoorbeeld in rijk gevasculariseerd spierweefsel. Wanneer de plaatselijke homeostase een bepaalde grens overschrijdt, kan er een lokale ontstekingsreactie op gang komen. Dit uit zich in pijn en we spreken dan van een blessure of surmenageletsel. Afhankelijk van de mechanische belasting die een bepaalde sport met zich meebrengt, kent iedere sport zijn specifieke surmenageletsels. Ook spierweefsel kan mechanisch overbelast raken bij zware of ongewone inspanning. Vooral excentrische belastingen leiden gemakkelijk tot mechanische overbelasting van spierweefsel (Kuipers & Hesselink, 2001). Er is daarbij sprake van structurele beschadiging van celonderdelen, waarbij met name de myofibrillen zijn aangedaan. Mechanische overtraindheid van spieren uit zich in spierpijn en spierstijfheid. Spontaan en volledig herstel vindt plaats in 1-2 weken.

Metabole overtraining

De fysiologische basis van metabole overtraindheid betreft een verstoring van de energiestofwisseling. De energie voor de spiercontractie wordt geleverd door ATP. De voorraad ATP in de cel is klein en omdat elk energievragend celproces ATP vraagt, verdwijnt er voortdurend ATP. Terugwinning van ATP gebeurt via anaërobe splitsing van CP, anaërobe glycolyse en oxidatieve fosforylering in de mitochondriën. Bij zware inspanning kan de ATP-regeneratie achterblijven bij het ATP verbruik. Er ontstaat dan een overmaat aan ADP. Via de myokinase reactie kan uit 1 moleculen ADP 1 molecuul ATP worden teruggewonnen (MacLaren et al., 1989). Het andere ADP molecuul wordt onder afsplitsing van NH3, via inosine monofosfaat (IMP) uiteindelijk omgezet in urinezuur. De myokinase reactie leidt weliswaar tot een gedeeltelijke terugwinning van ATP, doch het uit ADP ontstane AMP wordt verder afgebroken. De totale hoeveelheid energierijke fosfaten zal hierdoor dalen. Omdat de terugwinning tot ATP, i.t.t. de afbraak, een traag proces is, is voldoende herstel na intensieve belasting essentieel. Vooral zeer gemotiveerde atleten die elke dag hard trainen, lopen door hun gedrevenheid gemakkelijk het risico om onvoldoende aandacht aan herstel te besteden. Wat in de praktijk vaak gebeurt is dat een atleet bij minder presteren de snellere vermoeidheid toeschrijft aan onvoldoende trainingsarbeid. Een bekende reactie is dan om de training verder te intensiveren. Hierdoor ontstaat een neerwaartse spiraal van nog minder herstellen, nog minder presteren, etc. In feite is de metabole overtraindheid in deze situatie uitsluitend het gevolg van onvoldoende herstel. Enkele dagen rust kan het probleem simpelweg oplossen. Dit verklaart ook dat sporters soms opmerkelijke prestaties leveren na een gedwongen periode van minder of geen training. Een factor die tot een verhoogd risico voor metabole overtraining leidt, is onvoldoende herstel van de glycogeenvoorraad. De atleet begint dan al met een lage koolhydraatvoorraad en is na de warming-up grotendeels door de glycogeenvoorraad heen (Snyder & Foster, 1994).

Het overtrainingssyndroom

Het overtrainingssyndroom is een gegeneraliseerde vorm van overbelasting die zijn oorzaak vindt in een te grote opstapeling van verschillende vormen van stress. Dit uit zich via stoornissen in de hypothalame coördinatieve functie in veranderingen in gedrag, functioneren van het vegetatieve zenuwstelsel en het endocriene systeem (Barron et al., 1985; Morgan et al., 1987). Omdat het neurovegetatieve systeem ook een rol speelt bij de afweer, uit een gestoorde immuunfunctie zich ook in een toegenomen vatbaarheid voor infecties (Rawbottom et al., 1995). Op hun beurt betekenen infecties een extra stress, waardoor de afweer verder kan worden aangetast (Häkkinen & Alen, 1989). De verminderde afweer en het vertraagde herstel leiden ook tot een grotere blessuregevoeligheid (Rawbottom et al., 1995). De stress van de training zelf is vaak niet de enige oorzaak voor het ontstaan van een overtrainingssyndroom. Meestal zijn bijkomende factoren de druppel die de emmer doen overlopen. Deze factoren kunnen o.a. zijn: stress in de privé-sfeer, monotonie in de training, te veel wedstrijden en daardoor te veel en te lange wedstrijdspanning en faalangst (Lehmann, et al., 1993). Een factor waaraan ook moet worden gedacht zijn trainingsstages op hoogte. De training op hoogte is fysiologisch zwaarder, terwijl het herstel vertraagd is. Andere factoren die tot een overtrainingssyndroom kunnen leiden zijn: voedingsdeficiënties (een tekort aan koolhydraten, ijzergebrek; Aagvaag & Opstad, 1985; Lehmann et al., 1993), allergische reacties, infecties (Rawbottom et al., 1995) en "jet-lag" (Kuipers & Keizer, 1988). Berucht zijn ook herstelperiodes na infectieziektes, waarbij atleten proberen in korte tijd de vermeende trainingsachterstand in te halen. Ook wisselingen in klimaat kunnen van belang zijn. Met name langdurige blootstelling aan een droog en heet klimaat kan de bijnieren zodanig belasten dat uitputting optreedt (Armstrong & VanHeest, 2002).

Herkennen van signalen van oververmoeidheid, c.q. overtraindheid

De symptomen van een overtrainingssyndroom kunnen zich op verschillende manieren uiten. Een of meer van de volgende symptomen kunnen worden gevonden: snelle vermoeidheid, inslaapproblemen, verminderde eetlust, nervositeit, toegenomen prikkelbaarheid, slechter presteren, infecties, concentratiestoornissen en menstruatiestoornissen bij vrouwen. Het overtrainingssyndroom is in feite een reactie op een te grote hoeveelheid stress en lijkt qua ontstaanswijze en symptomen veel op 'overspanning' en het 'burn-out' syndroom. TABEL 11.2 Factoren die kunnen bijdragen aan het ontstaan van een overtrainingssyndroom stress in de privé-sfeer infectieziektes (vooral bij te snel hervatten van de training) allergische reacties monotonie van de training verkeerde opbouw van de training wedstrijdspanning, faalangst voedingsdeficiënties (o.a. koolhydraten, ijzergebrek) reizen, speciaal wanneer tijdzones gepasseerd worden hoogtestages snelle klimaatwisselingen grote, continue hittebelasting

Sympathische en parasympathische vorm van het overtrainingssyndroom

In Duitstalige literatuur wordt onderscheid gemaakt in twee klinische vormen van het overtrainingssyndroom, de sympathische en parasympathische vorm (Lehmann et al., 1993). De sympathische vorm wordt vooral bij teamsporters en niet-duursporters gevonden. Kenmerkend voor de sympathische vorm van overtrainingssyndroom is een verhoogde sympathische activiteit in rust: verhoogde rustpols, nerveus, verhoogde prikkelbaarheid, opgewonden gevoel, slecht slapen, verminderde eetlust en snel zweten. Bij inspanning is de maximale sympathicusactiviteit echter verlaagd. Dit uit zich onder andere in lagere catecholaminenspiegels bij maximale inspanning (Lehmann et al., 1993). Een gevolg hiervan is dat de glycolyse in de spieren minder sterk door het sympathico-adrenerge systeem wordt gestimuleerd (Lehmann et al., 1993). Dit verklaart de paradoxaal verlaagde lactaatwaarden bij standaard belastingen, de zogenaamde "lactaat paradox". Bij de "lactaatparadox" zijn de plasma lactaatspiegels bij submaximale belastingen verlaagd, terwijl ook de maximale lactaatspiegels verlaagd zijn ten opzichte van de normale situatie (Lehmann, 1993). De parasympathische vorm van overtrainingssyndroom komt vooral voor bij duursporters. Karakteristiek is een sterke parasympathische overheersing in rust, terwijl tijdens inspanning nauwelijks of geen sprake is van verhoogde orthosympatische activiteit. Klinisch uit dit zich in lage rustpols, goede eetlust, uitstekend slapen, lethargie en duizeligheid bij plotseling staan door orthostatische hypotensie. Tijdens inspanning zijn de hartfrequentie en de lactaatwaarden bij zowel submaximale als maximale belastingen paradoxaal verlaagd. Bij duurinspanning is vooral het snel optreden van hypoglycemie kenmerkend (Kuipers & Keizer, 1988). Dit is zeer waarschijnlijk het gevolg van onvoldoende activiteit van de regulatiemechanismen, die er normaliter voor moeten zorgen dat de verhoogde opname van glucose door de spieren in evenwicht blijft met de glucoseafgifte door de lever. Omdat de klinische symptomen van de parasympathische vorm zo bedrieglijk kunnen zijn, wordt deze vorm vaak niet of laat gediagnosticeerd. Het is echter in veel gevallen niet mogelijk een overtrainingssyndroom in een van beide vormen te onderscheiden. Vaak zijn kenmerken van beide vormen te herkennen. Voor de praktijk is het belangrijk te weten dat er bij een overheersing van sympathische symptomen waarschijnlijk sprake is van een beginnend overtrainingssyndroom en dat herstel binnen enkele weken mogelijk is. Wanneer echter parasympathische symptomen domineren is er waarschijnlijk sprake van een gevorderd overtrainingssyndroom en kan herstel vele weken tot maanden duren. Ofschoon de sympathische en parasympathische vorm klinisch lang niet altijd zuiver te onderscheiden is, zijn deze twee vormen mogelijk uitdrukking van verschillende stadia van een overtrainingssyndroom. Na de training behoort het neuro-endocriene systeem het herstel in gang te zetten. Bij overmatige of aanhoudende stress blijft het sympathisch systeem geactiveerd. Dit uit zich in verhoogde cortisol en catecholaminenspiegels. Blijft deze situatie langdurig bestaan dan vermindert zelfs de synthese van catecholaminen (Seene & Viru, 1982). Dit leidt tot een verminderde sympathische activiteit waardoor de arbeidscapaciteit verlaagd is (Viru, 1985a, 1985b). Bij beginnende overtraining is er een activering van het sympathisch systeem als uiting van een aanhoudende stressresponse. Als de stresssituatie echter langere tijd duurt, raakt het systeem uitgeput en overheerst de parasympathicus (Viru, 1985b). TABEL 11.3 Kenmerkende verschijnselen van de sympathische vorm van een overtrainingssyndroom verhoogde rustpols snelle vermoeidheid gebrek aan 'macht' gewichtsverlies minder eetlust verhoogde prikkelbaarheid tegenzin in trainen hartkloppingen slecht (in)slapen  huilbuien toegenomen agressiviteit gevoel van onrust verhoogde pols bij inspanning  verhoogde bloeddruk      TABEL 11.4 Kenmerkende verschijnselen van de parasympathische vorm van een overtrainingssyndroom lage rustpols goede eetlust goed en diep slapen snel moe gebrek aan 'macht' snel gebrek aan suiker traag, onverschillig depressief lage pols bij inspanning sterke lactaatparadox

Diagnosticeren van een overtrainingssyndroom

Het snel diagnosticeren van een overtrainingssyndroom is niet gemakkelijk (Urhausen & Kindermann, 2002). Het meest specifiek is het meten van stresshormoonrespons op een gestandaardiseerde stressprikkel, zoals bijvoorbeeld op een insuline-geïnduceerde hypoglycemie. Dergelijke testen zijn echter niet alleen duur, maar ook praktisch moeilijk uitvoerbaar. Een andere mogelijke parameter is de 24-uurs excretie van afbraakproducten van catecholaminen omdat Lehmann et al. (1993) bij overtrainde atleten een verlaagde uitscheiding vonden van deze afbraakproducten. De uitvoerbaarheid van het verzamelen van urine gedurende 24 uur is in de sportpraktijk echter lastig. Omdat er geen gemakkelijk te gebruiken specifieke parameters zijn, wordt de diagnose vaak bij uitsluiting van andere oorzaken van vermoeidheid gesteld. Daarom is het raadzaam om bij atleten met prestatieverlies eerst het trainingsdagboek te raadplegen. Vaak levert dit al belangrijke aanwijzingen op voor een teveel aan training en vooral een tekort aan rust. In het dagboek dient ook informatie te worden geregistreerd over de mentale toestand. Onderzoek heeft aangetoond dat de eerste symptomen van een overtrainingssyndroom van mentale aard zijn: o.a. minder motivatie en verhoogde prikkelbaarheid. Verder kan een routine bloedonderzoek worden gedaan: BSE, ferritine, urinezuur, ureum en CK. Levert dit normale waarden op dan kunnen markers voor leverfunctie worden bepaald: gamma-GPT, ALT en alkalische fosfatase. Afhankelijk van de bevindingen kan het onderzoek verder worden uitgebreid. Uiteindelijk wordt de diagnose vaak gesteld door het uitsluiten van andere mogelijke oorzaken voor slechter presteren. Tot op heden zijn de belangrijkste en meest gevoelige meetinstrumenten voor het opsporen van overtraining het lichaam en de geest van de atleet. 'Zware benen' en het gevoel dat het moeilijker dan normaal gaat, zijn tekenen van onvoldoende herstel en kunnen wijzen op metabole overtraindheid. Wanneer daarbij verhoogde prikkelbaarheid en verminderde motivatie komen, kan dit op een beginnend overtrainingssyndroom wijzen. Mentale en lichamelijke signalen zijn sneller en gevoeliger dan welke laboratoriumbepaling dan ook. Het is ook belangrijk om een simpele variabele als rustpols bij te houden. Een consistente stijging van de rustpols kan wijzen op onvoldoende herstel, zeker wanneer dit gepaard gaat met 'zware benen'. Ofschoon ook het bijhouden van het lichaamsgewicht voor een sporter belangrijk is, is er een consistente daling van het gewicht een laat symptoom van een overtrainingssyndroom.

Adviezen t.a.v. vermoeidheid, c.q. overtraindheid

Wanneer er sprake is van enige vorm van overtraindheid moet zo snel mogelijk adequaat worden gehandeld. Het is in eerste instantie belangrijk om de belasting te verminderen en de factoren te elimineren die hebben bijgedragen tot de overtraining. Bij metabole overtraindheid is enkele dagen rust en verminderde trainingsomvang bij gelijkblijvende intensiteit vaak voldoende voor een snel herstel. Bij het overtrainingssyndroom is meer tijd nodig en moet de trainingsomvang drastisch worden teruggebracht. De intensiteit kan worden gehandhaafd teneinde voldoende prikkel te blijven geven voor het handhaven van de trainingsaanpassingen. Soms is het zelfs aan te raden om gedurende vele weken ter afleiding geheel andere (sport)activiteiten te zoeken. Er moet veel nadruk liggen op voldoende geestelijke en lichamelijke ontspanning. Helaas bestaat er geen specifieke medicamenteuze therapie. Herstel kan weken tot vele maanden vergen. De beste behandeling van elke vorm van overtraining is preventie. Goede trainingsopbouw, periodisering, individuele aanpassing waar nodig en snel handelen als overtraindheid dreigt, kan veel problemen voorkomen. Het is raadzaam om elke atleet een trainingsdagboek te laten bijhouden, waarin niet alleen vermeld wordt wat er aan trainingsarbeid gedaan is, maar ook hoe het voor het gevoel ging. Elke atleet moet leren luisteren naar zijn eigen lichaam, want dit is het belangrijkste instrument om overtraining op te sporen.

REFERENTIES 
1.Aagvaag, A., P.K. Opstad. Hormonal response to prolonged physical strain, effect of caloric deficiency and sleep deprivation. In: Fotherby & Pal (Eds), Exercise endocrinology, pp. 25-64, De Gruyter, Berlin, 1985 

2. Armstrong L.E, VanHeest J.L. The unknown mechanims of the overtraining syndrome. Sports Med 32(3): 185-209, 2002 

3. Barron, G.L., T.D. Noakes, W. Levy, C. Smith, R.P. Millar. Hypothalamic dysfunction in overtrained athletes. J. Clin. Endocrinol. Metabol. 60(4): 803-806, 1985

4. Frey, A.C., W.J. Kraemer. Resistance exercise overtraining and overreaching. Sports Med 23(2): 106-129, 1998

5. Häkkinen, K., M. Alen. Training volume, androgen use and serum creatine kinase activity. Br. J. Sports Med. 23(3): 188-189, 1989 

6. Keizer, H.A., H. Kuipers. The influence of solid and liquid carbohydrates on muscle glycogen resynthesis, plasma fuel hormones and maximal performance. Int. J. Sports Med. 8(2): 99-104, 1987 

7. Kelly, F.J., J.A. McGrath, D.F. Goldspink, M.J. Cullen. A morphological/biochemical study on the actions of corticosteroids on rat skeletal muscle. Muscle & Nerve 9: 1-10, 1986 

8. Kuipers H, Hesselink MKC. Zonder spierpijn op weg naar goud. Nat & Techn 69(12): 46-51, 2001 

9. Kuipers, H., H.A. Keizer. Overtraining in elite athletes; review and directions for the future. Sports Med. 6: 79-92, 1988 

10. Kurowski, T.T., R.T. Chatterton, R.C. Hickson. Countereffects of compensatory overload and glucocorticoids on skeletal muscle: androgen and glucocorticoid cytosol receptor binding. J. Ster. Bioch. 21: 137-145, 1984 

11. Lehmann, M., C. Foster, J. Keul. Overtraining in endurance athletes: a brief review. Med Sci Sports Exerc 25: 854-862, 1993 

12. MacLaren, D.P., H. Gibson, M.Parry-Billings, R.H.T. Edwards. A review of metabolic and physiological factors in fatigue. In: K.B. Pandolf (editor), Exercise and sport sciences reviews. pp. 29-66. vol.17, Williams & Wilkins, Baltimore, London, 1989. In: Exercise sciences reviews, vol. 19 pp 29-66, 1989 

13. Mellerowicz H., D.K. Barron. Overtraining. In Larson & Leonard (Eds) Encyclopedia of sports sciences and medicine, pp 1310-1312, Mac Millan, New York, 1971 

14. Morgan, W.P., D.R. Brown, J.S. Raglin, P.J. O'Connor, K.A. Ellickson. Psychological monitoring of overtraining and staleness. Brit. J. Sports Med. 21(3): 107-114, 1987 

15. Rawbottom D.G, Keast D, Goodman C, Morton AR., The haematological, biochemical and immunological profile of athletes suffering from the overtraining syndrome. Eur. J. Appl. Physiol. 70: 502-509, 1995 

16. Seene, T., A. Viru. The catabolic effects of glucocorticoids on different types of skeletal muscle fibers and its dependence upon muscle activity and interaction with anabolic steroids. J. Steroid Biochem. 16: 349-352, 1982 

17. Snyder AC, Foster C. Physiology and nutrition for skating. In: perspectives in exercise Science and sports medicine, DR Lamb, HG Knuttgen, R. Murray (eds). Carmel, IN, Cooper publishing group, 1994, pp 181-219 

18. Urhausen A. & Kindermann W. Diagnosis of overtraining, what tools do we have? Sports Med 32(2): 96-102, 2002 

19. Viru, A. Hormones in muscular activity. Volume I: hormonal assembly in exercise. CRC Press Inc. Boca Raton, 1985a 

20. Viru, A. Hormones in muscular activity. Volume II: Adaptive effect of hormones in exercise. CRC Press Inc. Boca Raton, 1985b 

21. Viru, A. Molecular cellular mechanisms of training effects. J. Sports Med Phys. Fitness. 34: 309-314, 1994 

Top